Toen ik in 2006 voor het eerst in Ghana kwam, ontmoette ik daar de tweeling Teddy & Terry. Ze waren een jaar of anderhalf oud. Twee kleine boefjes met pretogen, een knabbel & babbelstem en de grappigste ideeën voor spelletjes, dansjes en activiteiten. We vonden elkaar meteen te gek.
Sindsdien bezoek ik ze ieder jaar en heb ik ze zien opgroeien tot de bijna-twintigers die het nu zijn. Al zolang ze kunnen praten hebben Teddy en Terry twee enorme, eenvoudige wensen:
- professioneel voetbalspeler worden
- een keer op bezoek komen in Nederland
Twee weken geleden krijg ik ineens een opgetogen appje van ze: “Ma! We mogen een week meetrainen op een football academy! Als we goed genoeg zijn, worden we daar aangenomen!” Ik doe ter plaatse een dansje door de kamer.
We regelen hals-over-kop nieuwe voetbalschoenen met bijpassende sokken en scheenbeschermers, ze strijken alle voetbalshirts die ze door de jaren heen verzameld hebben en staan op maandagochtend om 05:00 stipt klaar voor vertrek. Een paar uur later videobelt Teddy: “ma, these guys here, they are big ooooh!!“. Op de achtergrond zie ik inderdaad een groep mega gespierde gasten rondlopen. Teddy en Terry zijn 1 meter 60. “Geen zorgen lieverd”, verzeker ik hem, “jij bent snel en behendig – focus daar maar op.”
Een paar dagen later. Ik zit trots tegen iemand te vertellen dat de tweeling aan het trainen is op een academie. Dat ze zo blij zijn en ik daarom ook. Misschien worden ze zelfs wel geselecteerd! Hun droom is aan het uitkomen! Mijn gespreksgenoot glimlacht, maar neemt mijn enthousiasme niet over. Vriendelijk wijst hij mij erop dat de jongens al bijna twintig zijn, dat de kans om professioneel voetballer te worden minimaal is en dat de kans dat ze dat op deze leeftijd nog gaat lukken, nóg kleiner is. “Je kunt je er maar beter op instellen dat het niet gaat lukken, dan is de teleurstelling niet zo groot.”
Ik ben stil. Natuurlijk heeft hij gelijk: de kans dat ze worden toegelaten is klein. Maar: klein is iets anders dan niet aanwezig, toch? Waar komt toch dit idee in onze samenleving vandaan dat je beter op voorhand terughoudend kunt zijn, dan voluit genieten van het idee en eventueel achteraf een beetje teleurstelling incasseren? Persoonlijk denk ik altijd liever: ‘wie weet’ dan ‘waarschijnlijk niet’.
Het zet me aan het denken. Hoeveel meer mensen zouden hun dromen een oprechte kans geven, als we met z’n allen zouden verschuiven van ‘ga maar uit van het slechtste’ naar: ‘joh, ga er maar voor en dan zie je wel wat er gebeurt’?
Het weekend erop word ik gebeld door de boys. Ze zijn geselecteerd. Zodra ze dit laatste jaar van hun opleiding hebben afgemaakt, mogen ze fulltime komen trainen. Tot die tijd zijn ze welkom om in de weekenden en vakanties op de academie te verblijven. We grijnzen breed naar elkaar. “Maar weet je wat ma?” zegt Terry dan terwijl hij zijn schouders ophaalt en nadenkend kijkt, “eigenlijk geloven we niet dat we dit per se willen. De trainingen waren super tof, we hebben enorm genoten en zijn dankbaar voor de ervaring. Maar om hier nu al onze tijd en energie in te steken? We hebben besloten om op dit moment volledig te focussen op onze opleiding. Voetballen doen we toch wel.”
Als ik heb opgehangen moet ik lachen. Tussen de opties ‘het lukt vast niet’ en ‘het lukt misschien wel’ zit blijkbaar een derde optie: ‘mogelijk kom je er in het proces achter dat iets anders beter bij je past’. Droom nummer 1 blijkt niet zozeer om professioneel voetballer te zijn, maar vooral om gewoon lekker veel en vaak te voetballen.
En droom nummer 2? Morgen ga ik de ambassade eens bellen om te informeren naar de voorwaarden voor een visum. We gaan er maar gewoon voor, dan zien we wel wat er gebeurt.
Ik wens je een hoopvolle week!
Liefs,
Lola

