Toen ik een jaar of zes was, ging ik op judo. Of onder judo – dat ligt eraan waar je vandaan komt. Eigenlijk wilde ik op ballet, want mijn beste vriendin buurmeisje zat op ballet maar na mij tijdens een proefles over de balk te zien banjeren kwamen de docente en mijn moeder tot de conclusie dat ik mogelijk elders beter tot mijn recht zou komen. Het werd judo: balans, discipline, snelheid, kracht, innerlijke focus.
Tien jaar lang zat ik met plezier op de mat. Toen werden mijn sparringpartners pubers en giechelden elke keer als ze mij bij de revers vastpakten. “Hihihi, daar zitten je borsten onder!”. Ik kon kiezen: trainen met de jonge hormonale geilaards of de normale rustige kinderen – die dan wel de helft van mijn leeftijd en lengte waren. Inmiddels had ik de bruine band. Om bij judo de eerste dan, de zwarte band, te halen, moet je onder andere een reeks technieken tot in perfectie uitvoeren. Deze kata’s oefen je met een vaste partner. Nadat de docente verteld had dat ik mocht gaan trainen voor zwart, keek ik nog een paar maanden de mat rond voor een geschikt maatje en besloot toen: laat maar. Ik deed mijn eindexamens, vertrok naar Ghana en verhuisde daarna voor mijn studie.
Die zwarte band achtervolgt mij sindsdien.
Zo om de zoveel tijd denk ik “wat zou het vet zijn als ik die zwarte band nog zou halen”. Kom ik dat opgerolde bruine bandje weer ergens tegen (ik hecht sentimentele waarde aan dit soort spullen), voel ik toch weer een enthousiaste borrel opkomen.
Een paar jaar terug besloot ik: oké, ik geef het een kans! Ik sloot mij aan bij een judoclub in de buurt waar landskampioenen trainen (als je het dan doet, dan ook goed), knipte mijn nagels kort, deed mijn haar op een knot en hees mij trots in het wit.
Na tien minuten warming-up kitste ik bijna de hele dojo onder.
Jongens, jongens, ik was even vergeten hoe pittig deze sport is. Het hielp niet dat de sensei zekerder was over mijn kunnen dan ik zelf. Drie keer probeerde ik, misselijk van de inspanning, de zaal uit te lopen. Kwam de goede man mij weer bij de deur halen. “Neem maar even pauze, kun je zo weer terug de mat op.” Zijn optimisme hing tussen inspirerend en irritant in.
In drie maanden tijd liep ik drie keer een rugblessure op. Bij de derde keer, toen een gast zijn gewicht verloor en met zijn volle twee-Lola’s bovenop mij knalde, ik even geen adem kreeg en vervolgens een week niet kon bewegen zonder pijn, concludeerde ik: ‘niet meer voor mij’.
Jammerdepammer.
‘Je dromen volgen’ wordt vaak gepresenteerd als een geromantiseerd heldenverhaal. Je moet er gewoon hard genoeg voor werken. Nooit opgeven. JE KUNT ALLES!
Nou, eh… blijkbaar niet 😂
Of tenminste: misschien kan het wel, maar kost het te veel. Als ik drie keer in de week was gegaan in plaats van één – misschien. Als ik door de rugpijn heen had getraind – misschien. Als ik 1:1 les had genomen… misschien. Maar zó graag wilde ik die band blijkbaar niet. Prima, weet ik dat ook weer toch?
Voor mijzelf formuleer ik het tegenwoordig net iets anders:
- Volg je nieuwsgierigheid en
- Geef je dromen een eerlijke kans
That’s it. Kijk maar of je daar iets mee kan!
Inmiddels heb ik m’n knieschijf in drie stukken gebroken en de kans dat ik ooit nog een judopak draag is daarmee drastisch gedaald. Maar minimaal is geen nul dus ach, wie weet, ik laat die zwarte band gewoon op m’n wensenlijstje staan.
Een supermooie week gewenst! Dat Thuisbezorgd eerder is dan je had durven hopen, de was korter dan drie dagen in de machine blijft liggen en dat een compliment dat al een tijdje in je hoofd zit, er eindelijk hardop uit komt ❤️

