Een klap van de pollepel

In een vorig leven werkte ik op kantoor. Dat vind ik heel cool om te zeggen, omdat ik mij toen niet kon voorstellen dat het anders kon zijn en nu juist geen flauw idee heb hoe ik ooit een 9 tot 5 heb overleefd. Er kan een hoop gebeuren in vijf jaar tijd. Enfin, omdat kantoor maar muffig is en verse zuurstof gezond, ging ik in de pauze vaak een blokje om. Op deze bewuste dag had ik op satellietbeelden een parkje in de buurt uitgezocht dat er van boven wel interessant uitzag. On y va.
 
Ik heb wat door het park gestruind en ben net weer op de terugweg, als ik geluid hoor. TOK, TOK, TOK. Even verderop staat een jong gastje, hij zal een jaar of 10 geweest zijn. In zijn hand heeft hij een pollepel, waarmee hij hard tegen een boom slaat. De schors vliegt in kleine stukjes in het rond.

“Hoi hoi, wat ben je aan het doen?” vraag ik hem rustig, want die boom kan niet praten, dus iemand moet het voor ‘m opnemen. De jongen draait zich om en kijkt mij kwaad aan.

“HOU JE BEK!!!” schreeuwt hij.
 
Ik weet niet of ik gewoon een beetje uit stond van de kantoordag of m’n innerlijke jedi had gechanneld, maar om een of andere reden bleef ik uitermate rustig. “Waarom ben je die boom eigenlijk aan het slaan, da’s best wel zonde, het is echt een mooie boom en ja… niet echt nodig toch?” – zoiets zal ik ervan gemaakt hebben. Het maakt de boel er in eerste instantie, uiteraard, niet beter op.
 
“MOET JE KOMEN DAN!!!” roept hij, zijn gezicht inmiddels rood aangelopen.
 
Vanbinnen moet ik héél hard lachen, maar het lukt om dat te onderdrukken. In plaats daarvan vraag ik waarvoor ik zou moeten komen? De jongen is inmiddels mijn kant op gelopen. We staan op een open plek in het park met stoffig zand onder ons. Dan steekt hij zijn hand in de zakken van zijn korte broek en haalt er een bosje fietssleutels uit.
 
“KOM DAN, ALS JE WIL VECHTEN!”
 
Terwijl hij de woorden met het nodige speeksel mijn kant op gooit, heft hij zijn hand en zwiept ‘m met kracht naar beneden. De fietssleutel klettert tussen ons in op de grond. Ik ben officieel uitgedaagd voor een duel.
 
Er is maar één probleem: ik heb helemaal geen behoefte om te vechten. Ik doe of ik een tel nadenk en zeg dan: “maar, ehm, wat als ik helemaal geen zin heb om te vechten?” Eerlijk is eerlijk, inmiddels klopt mijn hart wel in mijn keel. Niet omdat ik nou zo heel bang ben voor deze jongeman, maar omdat hij écht kwaad is en kwade mensen gekke dingen kunnen doen. Voor hetzelfde geld heeft ‘ie wel degelijk een mes op zak – je weet het niet hè.
 
Gelukkig blijft hij bij zijn weapon of choice. Bij de volgende vraag kan ik een giechel niet onderdrukken.
 
“WIL JE EEN KLAP VAN DE POLLEPEL?!”
 
Och, het manneke. Zou dit zijn wat hij thuis te horen krijgt? Ik voel zachtheid opkomen en loop rustig een paar passen zijn kant op. “Nee, ik hoef geen klap met de pollepel. Maar volgens mij ben jij wel echt super boos ergens om, klopt dat?”
 
Nu verzacht ook zijn gezicht en wordt het verdriet zichtbaar. Ja, hij is boos, heel erg boos. Iedereen op school pest hem en zegt dat hij anders is dan anderen. Thuis komt de hele tijd een mevrouw praten en is het helemaal niet gezellig.

Hij doet duidelijk zijn best om niet te huilen – dat zou vast niet bij zijn imago passen.
 
We staan een tijdje tegenover elkaar en zuchten samen diep om zijn rotsituatie. Echt vervelend voor je. Ja, echt vervelend. Hij staart naar de zanderige grond, z’n pollepel losjes in z’n handen. Dan kijkt hij op met een glimlach en vragend gezicht.
 
“Hey ehm, eigenlijk… was ik naar het park gekomen omdat ik denk dat hier ergens een schat verstopt ligt! Ik had deze lepel meegenomen om te graven. Wil je meehelpen zoeken?!”
 
Nu is het niet mijn lach die ik in moet houden, maar de neiging om hem een hele dikke knuffel te geven. Het ventje, staat ‘ie daar zo, met al z’n frustratie en de diepe wens om gewoon kind te zijn.
 
Ik ben uiteindelijk niet mee gaan zoeken, want het was tijd om terug naar kantoor te gaan en ik ben ook niet z’n hulpverlener. We hebben samen even goed rondgekeken welke kant de schat misschien op zou liggen, tegen elkaar gezegd dat het zonnetje wel echt lekker scheen vandaag en toen zijn we weer elk ons eigen pad gegaan.
 
Die dag leerde ik, van een jong gastje van een jaar of tien, dat woede nooit alleen maar woede is. Dat in een ogenschijnlijke bullebak soms een enthousiaste schatzoeker verscholen zit. En dat je met een beetje nieuwsgierigheid vaak een heel eind komt. Niet iedereen die blaft, wil bijten. Soms probeert iemand vooral gehoord te worden.
 
Als ik er nu aan terugdenk, moet ik wel echt hard lachen. Op je dertigste tijdens je pauzewandeling uitgedaagd worden met een fietssleutel en een dreigement van een klap van de pollepel ontvangen – je kunt zeggen wat je wil, maar het leven is in ieder geval nooit saai.
 
 
Cheers! Een heerlijke week gewenst. Ik hoop dat de vogels vandaag een mooi lied voor je zingen (behalve als jij die ene maandagmaillezer bent die ooit heeft teruggemaild dat ze vogels haat – voor jou hoop ik dat ze jouw huis overslaan). Dat je zonder piekeren in slaap valt en dan ook helemaal doorslaapt tot de volgende ochtend. Dat ze jouw lievelings ijssmaak hebben en dat een vreemde op straat breeduit naar je lacht zonder dat het creepy of ongemakkelijk voelt. Zoveel wensen deze week – het kan niet op.
 
Liefs,
Lola
Bommelding bij de Eiffeltoren
Bommelding bij de Eiffeltoren

Vorig weekend was ik voor het eerst in mijn leven in Parijs. Nouja, ik was al wel een paar keer Read more

Zeiken aan het ontbijt
Zeiken aan het ontbijt

Op het bord voor mij liggen vier soorten kaas, drie soorten olijven, twee kleuren brood, een hartig nachtschade gerecht, grote Read more

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *